Netwerk Groene Bureaus

ngb_009168
brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging

1 mei 2015

Het Netwerk droeg vragen aan voor de ontwikkeling van de Nationale Wetenschapsagenda. De agenda bundelt de thema’s waar de wetenschap zich de komende jaren op zal gaan richten. Wat zijn kansrijke uitdagingen voor de Nederlandse wetenschap en hoe kan de wetenschap bijdragen aan het vinden van oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken en het benutten van economische kansen?

De ervaringen van de leden van het Netwerk zijn inspiratie voor vragen op veel gebieden, varierend van de relatie tussen mens en natuur tot de cultuur bij aanbestedingen.


Deze vragen bracht het Netwerk in: 

1.    Hoe zijn kan de mens zijn economische en sociale doelen realiseren en tegelijk natuur (ecosystemen, flora en fauna) de ruimte laten om zijn evolutionaire ontwikkeling te vervolgen?

Sommige belangen van mensen hebben negatieve effecten op natuur. Bij de realisatie van die belangen (als wonen, werken, voedselproductie) worden effecten op natuur geaccepteerd of tegengegaan via onder meer mitigatie van effecten, compensatie voor effecten en natuurinclusief bouwen. Heeft deze menselijke invloed op natuur gevolgen voor de mogelijkheden van natuur zich via evolutionaire processen aan te passen aan veranderende natuurlijke omstandigheden, stuurt deze ontwikkeling de evolutie een doodlopende weg op of staat de evolutie stil?

2.    Waarom neemt de mens psychisch afstand van de natuur waar hij fysiek onderdeel van is?

Mensen worden zich steeds minder bewust van hun afhankelijkheid van natuur. Van benodigde voorzieningen (leefomgeving, voedsel) is de herkomst of totstandkoming niet meer bekend: de voorziening is gewoon beschikbaar. Voedsel ligt in de supermarkt, water komt uit de kraan, de leefomgeving bestaat vooral uit andere mensen.
De fysieke afhankelijkheid van natuur wordt (in de westerse wereld) niet herkend maar ontkend. Welke mechanismen leiden tot deze afstand tot natuur? Wat zijn de gevolgen hiervan op lange termijn?

3.    Waarom leidt het juridisch formuleren van afspraken om bepaalde doelen te bereiken vaak tot effecten die het bereiken van die doelen juist in de weg staan?

Mensen maken onderling afspraken om samen bepaalde doelen te bereiken, bijvoorbeeld de bescherming van natuur bij ingrepen in de leefomgeving. Bij het vastleggen van dergelijke afspraken in juridische termen gaat de letter van de wet meer gelden dan de intentie van de afspraak. Ook blijkt de letter van de wet voor meerdere uitleg vatbaar. Hoe zijn juridische formuleringen af te stemmen op de te borgen intenties?

4.    Waarom neemt de belangstelling van studenten voor ecologische opleidingen af terwijl de maatschappelijke belangstelling voor natuur toeneemt?

Ecologische opleidingen trekken steeds minder studenten in academisch en hoger beroepsonderwijs. Tegelijk neemt de maatschappelijke belangstelling voor natuur en ecologie toe. Waarom werkt deze toegenomen belangstelling niet door in de studie/beroepskeuze?

5.    Hoe is de afwezigheid van flora en fauna efficiënt vast te stellen?

Kennis over de verspreiding van flora en fauna wordt in Nederland al decennia verzameld. Voor een groot aantal soorten zijn technieken beschikbaar om gestructureerde waarnemingen te doen over de aanwezigheid van flora en fauna. Moderne statistische technieken maken de verwerking van ook ongestructureerd verzamelde waarnemingen tot informatie over aanwezigheid van flora en fauna mogelijk. Voor het vaststellen van afwezigheid van fauna zijn slechts enkele gestructureerde technieken beschikbaar (Vleermuisprotocol). Hoe is efficiënt vast te stellen dat in een gebied faunasoorten niet voorkomen?

6.    Hoe is kennis uit fundamenteel ecologisch onderzoek te ontsluiten voor de inrichting van onze leefomgeving?

Fundamenteel ecologisch onderzoek leidt tot meer inzicht in onze leefomgeving. Deze inzichten zijn belangrijk voor het beheer en ontwikkeling van de leefomgeving. De gebruiksmogelijkheden van deze inzichten worden niet altijd direct herkend door de ontwikkelaar en (potentiele) gebruiker van deze inzichten. Hoe zijn toepassingsmogelijkheden van ontwikkelde kennis te herkennen?

7.    Wat betekent de participatiesamenleving voor de natuur?

De burger krijgt meer verantwoordelijkheid voor het collectief. Deze ontwikkeling vond en vindt ook plaats in het domein natuur. Burgers hebben verschillende opvattingen over (het belang van) natuur. Hoe ontwikkelt zich in de participatiesamenleving de maatschappelijke houding ten opzichte van natuur, wat betekent dit voor de aanwezigheid en het functioneren van natuur in onze leefomgeving?

8.    Hoe beïnvloedt de werkwijze bij gunning van opdrachten de verdere samenwerking tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers?

Voor aanbestedingen bestaan verschillende procedures. Ook bestaan culturele verschillen bij het toepassen van de procedures, variërend van inhoudelijke samenwerking tot sterk geformaliseerde werkwijzen die afstand scheppen tussen potentiele opdrachtgever en opdrachtnemer. De relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer bepaalt mede de effectiviteit van de uitgevoerde opdracht.
Welke procedures en (vooral) culturen zijn de beste basis voor goede samenwerking tussen opdrachtgever en opdrachtnemer?

9.    Waarom wordt bij sommige regelgeving meer belang gehecht aan handhaving dan bij andere?

Handhaving van regelgeving is politiek vaak niet interessant. Een politieke keuze voor het opstellen van regelgeving veronderstelt echter de aanwezigheid van een maatschappelijk belang en op grond hiervan is handhaving te verwachten. De aandacht voor de handhaving van bijvoorbeeld natuurregelgeving is zeer beperkt. Wat bepaalt de keuze tot wel/niet handhaven?

10.    Waarom krijgt in Nederlands ecologisch onderzoek de ene diersoort meer aandacht dan de andere?

Aan de ene diersoort wordt meer onderzoeksaandacht besteed dan aan de andere. Overwegingen zoals zichtbaarheid van een soort, economische betekenis, belang voor het functioneren van het ecosysteem en onderzoekbaarheid lijken te bepalen van welke soorten de verspreiding en ecologie bekend is. De bestaande verdeling van onderzoeksaandacht is voor een deel historisch gegroeid maar voldoet die nog aan de huidige wetenschappelijke en maatschappelijke vraag? Zo is van bijvoorbeeld een zeer algemene vleermuissoort (laatvlieger) niet bekend waar het dier in de winter blijft, hoe zijn paaractiviteit er uit ziet, of de soort af- of toeneemt en welke eisen aan de omgeving deze soort stelt. Wat en wie bepalen de onderzoeksaandacht voor diersoorten?